vrijdag 17 juli 2015

Een drug te ver


De oude verslavingsarts had het gehad met uitgezakte, uitgebluste, middelbare alcoholisten en tranquilizerverslaafde dames. Hij had zijn zinnen gezet op blowers. Want dat zijn meestal mannelijke, strakke tieners of twintigers. Het betere werk voor een bejaarde nicht. En voor een betrokken dokter, dat vooral, natuurlijk. Hij had de geneesheer directeur en de medische staf weten te overtuigen dat softdrugverslaafden een prima doelgroep was, dat best samen kon met alcohol- en medicijnverslaafden. ‘Als verslavingsspecialisten moeten we toch iets kunnen betekenen voor deze jonge mensen met een evidente lijdensdruk. Bovendien zijn we zo verzekerd van voldoende aanbod van patiënten. We moeten ook aan onze productie denken, nietwaar?’

Zo, nu kon hij met leuke jongens een vertrouwensband opbouwen, de vaderfiguur spelen. Af en toe huggen, dat hoort erbij en wie weet, van het één komt misschien wel het ander.

Dus op een kwade dag werd de (alcohol)detoxafdeling – tot dusver een ouderwetsche heerensociëteit - overvallen door een aantal jonge knapen die zich niets gelegen lieten liggen aan de ongeschreven regels die daar sinds jaar en dag golden. Zoals: wie het laatst naar bed gaat, laat de huiskamer netjes achter. De nieuwe jongens gingen het laatst naar hun kamer want ’s avonds kwamen ze pas tot leven. ‘Lekker tjappa, pizza of zo, colaatje erbij, flex bradda. Chil, fissa!’ Ja, dan werd het gezellig. De nachtdienst kreeg ze met grote moeite, onder bedreiging van onvrijwillig ontslag, naar hun kamers, waar het nog lang onrustig bleef.
    Opruimen stelden ze uit. ’Doe ik straks wel, of morgen, relax!’  Ze lieten grote hoeveelheden vuile vaat,  lege pizzadozen en bakjes van de Chinees op het aanrecht achter (voor de eerlijke vinder) en waren ’s morgens niet uit hun nest te krijgen.
    ‘Mijnheer Graanoogst, u moet opstaan, het programma begint.’    
    ‘Wat zegt de klok? Ga blazen. Je moet echt fatse, of wil je fittie?’
    Zonder ondertiteling begreep de medewerker niet wat de patiënt zei. Hij zal zo wel opstaan, dacht hij.
    Dat wilde nog wel even duren. De alcoholisten zaten al braaf, gedoucht en opgetuigd aan het ontbijt als de eerste blower nog moest nog opstaan. Dat was tegen de afdelingsregels maar de begeleiding was niet gewend aan weigerachtige patiënten; als een alcoholpatiënt niet aan het ontbijt verscheen was daar een goede reden voor of anders maakte hij, nadat hij gewekt was, met een kop als vuur, dat hij zo snel mogelijk aanschoof. Zo niet de cannabisjongens.

Er ontstonden twee kampen onder de patiënten en wij, de begeleiders zaten ertussen. We wilden welwillend zijn tegenover de jongelui, maar ze zochten steeds de grens op. De één had een brommer in zijn douche gedemonteerd, de ander zat op het politiebureau wegens joyriding. Met een shovel. Plotseling was de DVD-speler verdwenen en de alco’s waren steeds hun rookwaar kwijt. En wij moesten de regels handhaven. Anders herinnerden de oudere patiënten ons daar wel aan. We waren zo gewend aan gehoorzame patiënten, dat we nauwelijks sancties hadden.

Het bleek gewoon niet te werken.
Dus cannabisverslaafden werden niet meer bij ons opgenomen en de rust keerde terug op de club.

De verslavingsarts is mokkend met pensioen gegaan.  


Laaglander

Geen opmerkingen: